Veilige snelheidslimieten

Veilige snelheidslimieten zijn afgestemd op de functie en het gebruik van de weg

Te hoge snelheid speelt een belangrijke rol bij verkeersongevallen. Over het algemeen wordt ervan uitgegaan dat ongeveer een derde van de dodelijke ongevallen veroorzaakt wordt door een te hoge of onaangepaste snelheid. Naast een negatief effect op de objectieve onveiligheid heeft te hoge snelheid ook invloed op de subjectieve onveiligheid (het onveiligheidsgevoel). Voor VVN is snelheidsbeheersing een belangrijke beleidsprioriteit.

Bij het beperken van te hard rijden spelen de uitgangspunten van Duurzaam Veilig een centrale rol. De basisprincipes daarvan zijn gebaseerd op wetenschappelijke theorieën uit de verkeerskunde, biomechanica en psychologie. Op het gebied van veilige snelheidslimieten is vooral het homogeniteitsprincipe van belang: gelijkwaardigheid in snelheid, richting en massa. Hoe hoger de gereden snelheid, hoe belangrijker dat de samenstelling van het verkeer homogeen is. Andersom geldt hetzelfde: hoe heterogener de verkeerssamenstelling, hoe lager de gereden snelheden behoren zijn.

Op basis van de Duurzaam Veilig uitgangspunten is een verdeling gemaakt in drie wegcategorieën met ieder een eigen functie en een bijbehorende veilige snelheidslimiet. In verblijfsgebieden is een grote diversiteit aan voorzieningen aanwezig: winkels, woningen, openbare voorzieningen, e.d. Lopen, fietsen, spelen, winkelen en dergelijke wordt er gemengd met autoverkeer. Hoewel het autoverkeer er ondergeschikt is aan de verblijfsfunctie kunnen er wel conflicten voorkomen, maar die leveren slechts een beperkt gevaar op omdat de rijsnelheden laag zijn. Weggebruikers kunnen daardoor goed anticiperen op elkaar. Hoge rijsnelheden tasten de verblijfsfunctie aan en zijn daarom ongewenst in verblijfsgebieden. Voor straten binnen de bebouwde kom met een verblijfsfunctie is de veilige limiet bepaald op maximaal 30 km/uur, waarbij ook stapvoets (maximaal 15 km/uur) mogelijk is in erven. Buiten de bebouwde kom ligt de veilige limiet op maximaal 60 km/uur.

Op wegen met een ontsluitende functie staat de vlotte afwikkeling van het (auto)verkeer centraal op de wegvakken. Op kruispunten vindt menging en uitwisseling plaats. Voor een vlotte en veilige doorstroming zijn gescheiden voorzieningen voor langzaam en snelverkeer nodig. Op kruispunten, waar snel- en langzaam verkeer elkaar ontmoeten, moet de snelheid zo laag zijn dat conflicten voorkómen kunnen worden en dat de ernst van eventuele aanrijdingen zeer beperkt is.
Op ontsluitingswegen binnen de kom is de veilige limiet bepaald op maximaal 50 km/uur, waarbij in sommige situaties 70 km/uur nog een veilige snelheidslimiet kan zijn. Buiten de bebouwde kom is de veilige snelheidslimiet vastgesteld op maximaal 80 km/uur.

Stroomwegen (autowegen en autosnelwegen) zijn bedoeld om landsdelen met elkaar te verbinden. De rijsnelheid is er hoog en dat is mogelijk omdat de verkeersstroom homogeen is. Er is geen tegemoetkomend of kruisend verkeer en alle weggebruikers gaan met min of meer vergelijkbare snelheid in dezelfde richting. De kans op ongevallen is daardoor beperkt. Het gebruik van stroomwegen is voorbehouden aan snelverkeer. Langzaam verkeer is er niet toegestaan. Wegen met een stroomfunctie hebben een snelheidslimiet van maximaal 120 km/uur.